Zojuist onder station Lelylaan.
Een jongeman zat op het enige bankje in het tramhokje onder het station. Hij
zat precies in het midden, was niet dik maar omdat hij zijn tas naast zich
geplaatst had bleef er aan weerskanten van hem maar een klein randje over.
Ik wilde na een dag hard werken graag even zitten dus ik
kuchte beleefd. Wazig keek hij me even aan, om vervolgens weer even wazig voor zich uit te
kijken. Om de kerel heen hing een ambiance waarbij alleen het Che
Guevera shirt nog ontbrak. Nu vond ik Che in de musical Evita best aardig
zingen maar u begrijpt hopelijk wel waar ik op doel. Op een halve bil nam ik
plaats en zon ziedend op wraak.
Blijkt maar weer waar die klote communisten goed voor zijn.
Op het hokje van 2 bij 2 bij 1 waren maar liefst 3(!) pamfletten van de meest
succesvolle communistische partij uit ‘Rood’ Mokum/Nederland geplakt. Dat heet
spam tegenwoordig. De eerste zin was “SLUIT DE RING” (mot je op de snelweg in
de file uitdelen, lachuh jongen) en het bleek te gaan over het doortrekken van
lijn 50 vanaf Isolatorweg naar Amsterdam Centraal. De Gueveriaan trok
voorzichtig een pamflet los om het beter te kunnen bestuderen.
Enfin, dan begint het bij mij te malen. Kent u die scène in Goodfellas waarin Robert de
Niro’s karakter, al trekkende aan een sigaretje, bedenkt hoe hij de volledige
opbrengst van een diefstal voor zichzelf kan houden? Eén van de sterkst staaltjes
acteerwerk uit de filmgeschiedenis wat mij betreft. Je ZIET die man gewoon peinzen,
afwegen en kortsluiten. Zo moet ik eruit gezien hebben, minus het kankerstokje
dan.
Ik stond op, ratste omslachtig het eerste blaadje van het
hokje, wierp een blik op mijn tram die in de verte aan kwam rijden en scheurde
het tweede foldertje van de glasplaat. Zijn ogen hadden me gevolgd, zijn mond
was opengevallen: ik had eindelijk zijn aandacht. Terwijl ik alles tot een
grote prop verwerkte sprak ik de grootse woorden: “Voor Maoïstische propaganda
is geen plaats in dit land”. Ik ging weer zitten.
De snaar was geraakt, de blik in zijn ogen verried dat hij
met open ogen in mijn val liep. Dat zijn de momenten dat je het voor doet, de
momenten waarmee alle zalige vooroordelen in een idyllisch equilibrium
samenkomen. Even herstelde hij zich.
“Ben je het er niet mee eens dan?”
“Daar gaat het niet om, het draait op het principe.”
“En dat is?”
“Alles dat van de SP komt is troep.”
“Wat stem jij dan?”
“VVD. Natuurlijk.”
Hij keek naar mijn uniform. Nu was het persoonlijk.
Rivaliteit zit nu eenmaal in het beestje en ik had zijn lul net met een
ondergemiddelde clit vergeleken. Snuivend
keek het wereldverbeteraartje naar mijn uniform.
“Wat doe jij dan voor werk dat je het je kan veroorloven op
het VVD te stemmen?!”
“Beveiliging, en daarnaast bezit ik 10 huizen in Argentinië waarvan ik huur
vang.”
“Dat meen je niet?”
“Echt veel levert dat niet op, maar genoeg om mijn salaris te verdubbelen.”
“Weet je wel hoe slecht die mensen het daar hebben? Of kan je dat niets
schelen?”
“O die mensen mogen het van mij daar net zo goed krijgen als
hier hoor..”
Ik stond op, mijn tram reed het perron op. Hij bleef zitten. Ik speelde de troefkaart.
“..en als die mensen het daar straks net zo goed hebben als hier dan verkoop ik
mijn huizen en heb ìk het alsnog beter.”
En na een paar stappen richting tram, met een halve draai en
een glimlach wierp ik hem mijn laatste opmerking toe. En wel op een manier die
Balkenende jaloers zou maken.
“Toch?”
Als kersje wuifde ik vanuit de tram nog even naar de jongeman.
Hij keek slechts verbouwereerd terug. Wel plakte hij nog even snel zijn pamflet
terug. Wat een slechte verliezer.
Zou hij nu in ‘zijn’ kraakpand ook een blogje schrijven
hierover? God knows.